
Analogieën oefenen: de zeven verbanden achter "A staat tot B"
Een analogie in een capaciteitentest heeft de vorm "A staat tot B als C staat tot D". Je benoemt eerst het verband tussen A en B in één woord, zoals deel, soort, tegendeel of oorzaak, en kiest dan het woord dat met C precies dat verband heeft. De meeste fouten komen van een woord dat wel bij C hoort, maar met een ander verband.
Bijgewerkt op door De redactie van Skillido
"Metaal staat tot ijzer als ... staat tot merel." Veer, nest, spreeuw, vogel. Wie snel leest, pakt spreeuw, want dat is ook een vogel en lijkt het meest op merel. Wie eerst het eerste paar benoemt, ziet dat ijzer een soort metaal is, en zoekt dus de groep waar de merel een voorbeeld van is. Dat ene woord, soort, is het hele verschil tussen goed en fout. Analogieën toetsen of je dat woord vindt voordat je kiest.
Hoe een analogie in elkaar zit
Een analogie bestaat uit twee woordparen met hetzelfde verband. In een test krijg je er drie woorden van en vier opties voor het vierde. De volgorde telt. Bij "speler staat tot elftal" is het verband "is lid van", en bij het tweede paar moet het dezelfde kant op lopen. Een optie die het verband omdraait (het geheel waar het deel gevraagd wordt) is een vaste afleider, juist omdat hij zo dicht bij het goede antwoord ligt.
De zeven verbanden
Bijna elke analogie in een capaciteitentest is gebouwd op een van deze zeven verbanden. Wie ze kent, hoeft bij een nieuw paar alleen nog te kiezen welk van de zeven het is.
- Deel en geheel. Trede en trap, schakel en ketting, speler en elftal. Let op de richting; het geheel staat ook tussen de opties.
- Gereedschap en gebruik. Schaar en knippen, microscoop en klein. Het tweede woord zegt waar het eerste voor dient.
- Tegenstelling. Open en dicht, toenemen en afnemen. De afleider is hier het synoniem van het derde woord, want dat voelt vertrouwd.
- Synoniem. Snel en vlug, langzaam en traag. Hier is de afleider juist het tegendeel, of een woord uit hetzelfde veld dat net iets anders betekent.
- Rangorde. Nat en doorweekt, beek en rivier. Het tweede woord is de sterkere of grotere vorm van het eerste.
- Oorzaak en gevolg. Droogte en misoogst, hitte en zweten. De afleiders zijn wat erna komt of wat ertegen helpt.
- Categorie en voorbeeld. Metaal en ijzer, fruit en appel. De afleider is een tweede voorbeeld uit dezelfde groep.
Vijf voorbeelden uit de training
Analogie 1
Metaal staat tot ijzer als ... staat tot merel.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A veer
- B nest
- C spreeuw
- D vogel
Toon het antwoord
D vogel. IJzer is een soort metaal en een merel is een soort vogel. Een spreeuw is een andere vogel, dus nog een voorbeeld naast de merel. Een veer is een deel van de vogel en in een nest broedt hij.
Analogie 2
Speler staat tot elftal als ... staat tot orkest.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A dirigent
- B muzikant
- C concert
- D instrument
Toon het antwoord
B muzikant. Een speler is een van de leden van een elftal en een muzikant een van de leden van een orkest. De dirigent hoort ook bij het orkest, alleen leidt hij het, zoals de trainer bij een elftal. Een concert is wat het orkest geeft en met een instrument maakt de muzikant muziek.
Analogie 3
Microscoop staat tot klein als ... staat tot ver.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A verrekijker
- B loep
- C oog
- D horizon
Toon het antwoord
A verrekijker. Met een microscoop bekijk je wat heel klein is en met een verrekijker wat ver weg is. Een loep is ook voor kleine dingen en hoort dus bij het eerste paar. Het oog kijkt zonder hulpmiddel, en de horizon is wat je in de verte ziet.
Analogie 4
Droogte staat tot misoogst als ... staat tot overstroming.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A stortregen
- B dijk
- C wateroverlast
- D schade
Toon het antwoord
A stortregen. Droogte veroorzaakt een misoogst en een stortregen kan een overstroming veroorzaken. Wateroverlast betekent bijna hetzelfde als de overstroming zelf, en schade komt erna als gevolg. Een dijk moet het water juist tegenhouden.
Analogie 5
Nat staat tot doorweekt als ... staat tot uitgehongerd.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A verzadigd
- B eten
- C mager
- D hongerig
Toon het antwoord
D hongerig. Doorweekt is heel erg nat en uitgehongerd is heel erg hongerig, telkens de sterkste vorm van het eerste woord. Verzadigd is het tegendeel. Eten is wat de honger oplost, en mager word je van lange honger.
De valkuil: het woord dat erbij hoort
In elk voorbeeld hierboven staat een optie die onmiskenbaar bij het derde woord hoort en toch fout is. De dirigent bij het orkest, de loep bij de microscoop, de dijk bij de overstroming. Dat zijn geen willekeurige woorden. Testmakers zetten ze er neer omdat ze de fout uitlokken die iedereen maakt die te snel leest. Je herkent het woord, voelt dat het klopt en klikt. Het verband heb je dan nooit benoemd.
De remedie is simpel en kost twee seconden. Zeg voor jezelf, in één woord, wat het eerste paar met elkaar heeft. Soort, deel, tegendeel, oorzaak. Pas daarna kijk je naar de opties, en dan valt het woord dat erbij hoort meteen af, omdat het een ander verband heeft.
De andere vraagvormen in het verbale onderdeel
Analogieën zijn de hoofdvorm, en in onze set van 48 verbale opgaven zijn het er 30. Daarnaast zijn er 12 opgaven die rechtstreeks naar het tegendeel of naar een woord met dezelfde betekenis vragen, en 6 waarin je in een rij van vier het woord zoekt dat er niet bij hoort. Bij die laatste vorm delen drie woorden één duidelijk kenmerk en wijkt het vierde daarop af, ook als je de rij op een tweede kenmerk anders zou kunnen sorteren.
Oefenen onder tijd
In de gratis test maak je tien opgaven in acht minuten, twee per onderdeel, waarvan twee verbale. Het verbale onderdeel is één van de vijf; de andere vier staan op capaciteitentest oefenen, en hoe een hele selectietest verloopt, lees je op assessment oefenen. Skillido is niet verbonden aan een assessmentbureau, de politie of defensie, en de precieze inhoud van hun tests is niet openbaar.