Analogieën oefenen (gratis): twaalf opgaven met uitleg
Bij een analogie krijg je twee woorden met een verband en een derde woord, en kies je het vierde dat hetzelfde verband heeft met dat derde. Hieronder staan twaalf opgaven van makkelijk naar lastig, met bij elk antwoord de uitleg en de denkfout achter de foute opties.
Twaalf analogieën om te oefenen
Opgave 1
Open staat tot dicht als ... staat tot smal.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A nauw
- B breed
- C ondiep
- D dun
Toon het antwoord
B breed. Open en dicht zijn elkaars tegendeel, en het tegendeel van smal is breed. Nauw betekent ongeveer hetzelfde als smal; wie dat kiest, zoekt een verwant woord in plaats van het tegendeel. Ondiep en dun gaan ook over maat, alleen over een andere kant van iets.
Opgave 2
Fruit staat tot appel als ... staat tot tulp.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A narcis
- B bol
- C bloem
- D tuin
Toon het antwoord
C bloem. Een appel is een soort fruit en een tulp is een soort bloem. Een narcis is net als de tulp een voorbeeld, dus een woord op hetzelfde niveau in plaats van de groep. Uit een bol groeit de tulp en in een tuin staat hij.
Opgave 3
Hitte staat tot zweten als ... staat tot rillen.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A kou
- B trui
- C warmte
- D kachel
Toon het antwoord
A kou. Door hitte ga je zweten en door kou ga je rillen. Warmte lijkt op hitte en zou dus juist zweten geven. Een trui en een kachel helpen tegen het rillen; ze nemen de oorzaak weg in plaats van hem te zijn.
Opgave 4
Vinger staat tot hand als ... staat tot voet.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A schoen
- B been
- C teen
- D sok
Toon het antwoord
C teen. Een vinger is een deel van de hand en een teen een deel van de voet. Een schoen en een sok horen bij de voet zonder er deel van te zijn. Bij been is de richting omgedraaid, want de voet is een deel van het been.
Opgave 5
Vocht staat tot schimmel als ... staat tot verveling.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A geeuwen
- B eentonigheid
- C drukte
- D slaap
Toon het antwoord
B eentonigheid. Vocht veroorzaakt schimmel en eentonigheid veroorzaakt verveling. Geeuwen is een gevolg van verveling. Van drukte verveel je je juist minder, en slaap hoort bij moeheid.
Opgave 6
Hoofdstuk staat tot boek als ... staat tot serie.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A kijker
- B zender
- C regisseur
- D aflevering
Toon het antwoord
D aflevering. Een boek bestaat uit hoofdstukken en een serie uit afleveringen. De kijker en de zender horen bij een serie zonder er deel van te zijn. De regisseur maakt de serie, zoals een schrijver het boek.
Opgave 7
Leugen staat tot wantrouwen als ... staat tot dankbaarheid.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A vertrouwen
- B hulp
- C blijdschap
- D trots
Toon het antwoord
B hulp. Een leugen leidt tot wantrouwen en hulp leidt tot dankbaarheid. Vertrouwen is het tegendeel van wantrouwen en hoort bij het eerste paar. Blijdschap en trots zijn gevoelens naast dankbaarheid; ze veroorzaken haar niet.
Opgave 8
Getal staat tot zeven als ... staat tot rood.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A bloed
- B oranje
- C kleur
- D tomaat
Toon het antwoord
C kleur. Zeven is een voorbeeld van een getal en rood een voorbeeld van een kleur. Oranje is een andere kleur, dus nog een voorbeeld. Bloed en een tomaat hebben de kleur rood en zijn dus dingen in plaats van de groep.
Opgave 9
Toenemen staat tot afnemen als ... staat tot vertrekken.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A reizen
- B weggaan
- C aankomen
- D inpakken
Toon het antwoord
C aankomen. Afnemen is het tegendeel van toenemen en aankomen het tegendeel van vertrekken. Weggaan betekent hetzelfde als vertrekken. Reizen en inpakken horen bij een vertrek, zonder er het tegendeel van te zijn.
Opgave 10
Woordenboek staat tot betekenis als ... staat tot vertrektijd.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A station
- B perron
- C dienstregeling
- D kaartje
Toon het antwoord
C dienstregeling. In een woordenboek zoek je een betekenis op en in een dienstregeling een vertrektijd. Station en perron zijn de plekken waar je vertrekt. Een kaartje bewijst dat je mag reizen en vertelt je niet wanneer de trein gaat.
Opgave 11
Seizoen staat tot herfst als ... staat tot dinsdag.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A week
- B woensdag
- C maand
- D weekdag
Toon het antwoord
D weekdag. Herfst is een voorbeeld van een seizoen en dinsdag een voorbeeld van een weekdag. Een week is het geheel waar dinsdag een deel van is; dat verband lijkt erop en is een ander. Woensdag is nog een voorbeeld, en een maand is een groter stuk tijd.
Opgave 12
Slordigheid staat tot fout als ... staat tot ongeluk.
Welk woord hoort op de puntjes?
- A schade
- B voorzichtigheid
- C onvoorzichtigheid
- D ziekenhuis
Toon het antwoord
C onvoorzichtigheid. Slordigheid leidt tot een fout en onvoorzichtigheid tot een ongeluk. Voorzichtigheid is het tegendeel en voorkomt een ongeluk juist. Schade en het ziekenhuis komen pas na het ongeluk.
Wat je bij analogieën oefent
Een analogie bestaat uit twee woordparen die op dezelfde manier met elkaar samenhangen. Je leest het eerste paar, benoemt het verband en past dat toe op het derde woord. Taalkennis helpt, maar de opgave toetst vooral of je het verband eerst zegt en dan pas kiest. Selectietests gebruiken ze om te zien hoe snel iemand een regel uit twee woorden haalt. Alle zeven verbanden, van deel en geheel tot oorzaak en gevolg, staan uitgelegd in het artikel over analogieën oefenen.
Zo oefen je ze
Werk de twaalf opgaven hierboven op volgorde af. De eerste vier gaan over concrete woorden waarvan het verband in het paar zelf ligt, zoals open en dicht of vinger en hand. De middelste vijf hebben een afleider die bijna past, omdat hij uit hetzelfde veld komt en een ander verband heeft. De laatste drie zijn lastig, omdat de woorden abstract zijn of omdat het geheel als valstrik naast het goede antwoord staat.
Dek de opties af en bedenk eerst zelf een woord dat op de puntjes past. Kijk daarna pas naar de vier keuzes. Staat jouw woord er niet bij, dan zoek je het dichtstbijzijnde met hetzelfde verband. Maak je een fout, lees dan de uitleg: elke foute optie is gebouwd op een fout die mensen echt maken, zoals een woord dat bij het begrip hoort maar een ander verband heeft, het tegendeel waar het synoniem gevraagd wordt, of een verband dat de verkeerde kant op loopt.
Oefenen onder tijd
In de gratis test maak je tien opgaven in acht minuten, twee per onderdeel. Het proefassessment heeft veertig opgaven in dertig minuten. De training van dertig dagen heeft 48 verbale opgaven in drie niveaus. Hoe een hele test in elkaar zit, lees je op assessment oefenen. Het logische broertje van dit onderdeel staat op syllogismen oefenen.
Voor welk soort test oefen je?
Analogieën komen voor in de tests van werkgevers en opleidingen, en elke test heeft zijn eigen woordkeuze en moeilijkheid. Skillido is niet verbonden aan een assessmentbureau en de precieze inhoud van hun tests is niet openbaar. Oefenen met analogieën laat je wennen aan het soort denkwerk, en een uitslag in een echte test beloven we daar niet mee.
Veelgestelde vragen
- Hoe begin je met analogieën oefenen?
- Zeg bij het eerste paar in één woord wat het verband is, voordat je naar de opties kijkt. Begin met de makkelijke opgaven, waar het verband in het paar zelf ligt, en ga daarna naar opgaven waarin een afleider bijna past. De twaalf opgaven hierboven lopen in die volgorde.
- Hoe herken je het verband als het niet vanzelf duidelijk is?
- Probeer de zin "het eerste woord is een ... van het tweede" op te vullen. Past deel, soort, gevolg of tegendeel, dan heb je het verband. Past geen van vier, kijk dan of het tweede woord zegt waar het eerste voor dient.
- Wat doe je als twee opties allebei kunnen kloppen?
- Draai het eerste paar om. Als het verband dan nog klopt, werkt de richting niet en valt een van de twee af. Vaak is het ene woord het geheel en het andere het deel, en dan zegt de volgorde van het eerste paar welke je zoekt.
- Wat kost oefenen op Skillido?
- De gratis test en het proefassessment van veertig opgaven kosten niets en vragen geen account. De training van dertig dagen, met alle 48 verbale opgaven en de opgaven van de vier andere onderdelen, kost €29 eenmalig.