
Nee zeggen tegen je leidinggevende: de zin, wat je wel aanbiedt en de keuze teruggeven
Nee zeggen tegen je leidinggevende werkt met dezelfde zin als tegen ieder ander, in een andere volgorde: eerst erkennen wat er voor het werk op het spel staat, dan het nee voor nu, dan wat je wel kunt en wanneer. Vraagt je leidinggevende door, geef dan de keuze terug: als dit voorgaat, wat schuift er dan op? Een smoes, een lesje en het contract als schild maken het gesprek langer en het nee zwakker.
Bijgewerkt op door De redactie van Skillido
Vrijdag 16.45 uur. Je baas staat naast je bureau met een map en de woorden "dit moet echt vanavond af". Je hebt om zeven uur afgesproken, en je weet dat de klus maandag in een uur klaar is. Tegen een collega zou je het zo zeggen. Tegen je baas komt er iets anders uit: "ik kijk wat ik kan doen", en om acht uur zit je nog.
Waarom het bij een leidinggevende anders voelt
Het verschil is geen inbeelding. Je leidinggevende beslist mee over je beoordeling, je rooster en je volgende project, en een nee voelt daardoor als iets wat je later terugkrijgt. Daar staat iets tegenover wat je in het moment niet ziet. Een leidinggevende die een halve toezegging krijgt, kan niets plannen. Een leidinggevende die een helder nee met een alternatief krijgt, kan dat wel. De meeste leidinggevenden hebben liever het tweede, ook als ze het eerste makkelijker vinden om te horen.
Dezelfde zin, in een andere volgorde
Een nee tegen een collega begint vaak met het nee zelf. Tegen een leidinggevende draai je de volgorde om. Eerst erken je wat er voor het werk op het spel staat: "Ik snap dat dit een probleem is voor het bedrijf." Dan het nee, afgebakend in tijd: "Dit weekend ben ik weg." Dan wat je wel kunt en wanneer: "Maandag om acht uur ben ik er." Drie korte zinnen. De eerste maakt dat je leidinggevende luistert, de tweede is het nee, de derde geeft hem iets om mee te werken.
Drie situaties uit de training
Situatie 1
Je leidinggevende vraagt of je weer de kerstborrel organiseert. Je deed het twee jaar en wilt nu niet. Niemand anders heeft zich gemeld.
Wat zeg je?
- A "Ik heb het twee jaar gedaan; dit jaar niet. Wie het oppakt, mag mijn lijstje van vorig jaar."
- B "Als niemand zich meldt, doe ik het wel weer. Ik weet inmiddels hoe het moet."
- C "Waarom vraag je het altijd aan mij? Laat de nieuwen het maar eens doen."
- D "Ik heb het best druk, ik zie wel hoe het loopt."
Toon het antwoord
A "Ik heb het twee jaar gedaan; dit jaar niet. Wie het oppakt, mag mijn lijstje van vorig jaar.". A zegt nee met reden en helpt de volgende op weg. B zegt ja omdat niemand anders het doet. C wijst anderen aan. D zegt geen nee, dus straks sta je er alsnog.
Situatie 2
Je baas schuift om 16.45 uur op vrijdag een klus door met de woorden: "dit moet echt vanavond af". Je hebt vanavond met vrienden afgesproken. Maandagochtend maak je het in een uur af.
Welke reactie is het meest assertief?
- A "Ik doe het vanavond wel, mijn vrienden zie ik een andere keer."
- B "Vanavond is lastig. Ik kijk wat ik kan doen en laat het voor zes uur weten."
- C "Dit hoort niet op vrijdagmiddag. Zo werk ik niet, plan het voortaan eerder."
- D "Vanavond kan niet, ik heb een afspraak. Maandag heb je het in een uur van me."
Toon het antwoord
D "Vanavond kan niet, ik heb een afspraak. Maandag heb je het in een uur van me.". D zegt nee voor vanavond en noemt wat wel kan. A laat je afspraak vallen, B houdt het open, C geeft een lesje in plaats van een antwoord.
Situatie 3
Je leidinggevende vraagt je dit weekend in te vallen bij een storing. Het is echt een probleem voor het bedrijf. Je hebt het weekend vrij gepland om met je gezin weg te gaan.
Welke reactie is het meest assertief?
- A "Ik snap het probleem, maar dit weekend ben ik weg. Maandag 8.00 uur ben ik er."
- B "Natuurlijk, ik regel het. Ons weekendje weg kan een andere keer."
- C "Ik zou wel willen, maar ik heb geen ruimte. Misschien kijk ik zaterdag even mee."
- D "Weekenddiensten staan niet in mijn contract, dus bel een ander."
Toon het antwoord
A "Ik snap het probleem, maar dit weekend ben ik weg. Maandag 8.00 uur ben ik er.". A erkent het probleem, zegt nee voor het weekend en biedt maandag aan. B laat je gezin vallen, C doet een halve toezegging, D verschuilt zich achter het contract.
De keuze teruggeven
Vraagt je leidinggevende door, dan is de verleiding groot om een nieuw argument te zoeken. Doe dat niet; elk argument is een nieuw aanknopingspunt. Herhaal je zin en stel daarna één vraag: "Als dit vanavond af moet, welk van de twee andere projecten schuift dan op?" Daarmee zeg je geen nee tegen de klus. Je legt de afweging tussen drie dingen die allemaal belangrijk zijn terug bij degene die erover gaat. Vaak is het antwoord dat maandag ook goed is. Zo niet, dan heb je in elk geval een besluit en geen stapel.
Drie dingen die het nee zwakker maken
De smoes. "Ik heb vanavond al iets" nodigt uit tot "en morgen dan?" Een reden mag, als hij waar is en je er niet over wilt onderhandelen. "Ik heb een afspraak" is zo'n reden; "mijn auto staat bij de garage" als dat niet zo is, is een smoes die je volgende week terugkrijgt.
Het lesje. "Dit hoort niet op vrijdagmiddag, plan het voortaan eerder." Dat kan kloppen, en je leidinggevende hoort alleen de terechtwijzing. Het gesprek gaat daarna over zijn planning, en de klus ligt er nog.
Het contract als schild. "Weekenddiensten staan niet in mijn contract, bel een ander." Misschien waar, en het sluit het gesprek op een manier die je leidinggevende onthoudt. Een nee met een alternatief doet hetzelfde werk en laat de relatie heel.
Als het steeds opnieuw gebeurt
Eén vrijdagmiddag is een nee. Elke vrijdagmiddag is een gesprek, en dat voer je op een moment dat er geen klus op tafel ligt. Vraag een halfuur aan over je werkdruk, met één vraag erbij: welk van de projecten gaat voor. In de training is dat een eigen onderdeel, een verzoek doen, want de zin waarmee je zo'n gesprek aanvraagt, is een andere dan de zin waarmee je nee zegt. Hoe je een grens aangeeft voordat hij overschreden is, staat op grenzen aangeven.
Welke stijl je kiest als het erop aankomt
De assertiviteitstest legt je dertig keer twee uitspraken voor en laat zien welke van vier stijlen je het vaakst koos: terughoudend, assertief, dominant of indirect. De training Assertiviteit oefent daarna de zinnen, met 24 situaties alleen al over nee zeggen.