D of t: zo kies je de goede vorm
In de tegenwoordige tijd is de vorm de stam van het werkwoord, en bij hij, zij, het en u komt er een t achter: ik vind, hij vindt. Twijfel je, zet dan lopen op dezelfde plek in de zin: hoor je loopt, dan schrijf je een t.
Drie opgaven om de proef op te doen
Som 1
Teamchat. Lotte: "Ik heb de offerte voor de nieuwe vloer in de map gezet. Hoe open plek 1vinden jij hem? Mijn manager open plek 2vinden hem aan de dure kant."
Welke vormen horen op plek 1 en plek 2?
- A vindt / vind
- B vind / vindt
- C vind / vind
- D vindt / vindt
Bekijk het antwoord
B vind / vindt. Staat jij achter de persoonsvorm, dan alleen de stam: vind jij. Bij "mijn manager" (hij) komt er een t bij: vindt. Proef: "loop jij", "mijn manager loopt".
Som 2
Mail. "Beste Mark, ik open plek 1wachten drie dagen op een reactie van de klant. Gisteren open plek 2antwoorden hij eindelijk, met een akkoord op de planning."
Welke vormen horen op plek 1 en plek 2?
- A wachte / antwoordde
- B wachtte / antwoorde
- C wachtte / antwoordde
- D wachte / antwoorde
Bekijk het antwoord
C wachtte / antwoordde. Stam wacht eindigt op t: wacht + te = wachtte. Stam antwoord eindigt op d, niet in 't kofschip: antwoord + de = antwoordde. Je hoort één letter, je schrijft er twee.
Som 3
Mail aan een collega. (1) "Heb jij de presentatie al naar Femke doorgestuurd?" (2) "Ze vroeg of het rapport vandaag nog word afgerond." (3) "Ik denk dat het lukt als niemand de deadline verschuift." (4) "Mark heeft de cijfers gisteren gecontroleerd."
In welke zin staat een fout in de werkwoordspelling?
- A Zin 1
- B Zin 2
- C Zin 3
- D Zin 4
Bekijk het antwoord
B Zin 2. Het onderwerp in zin 2 is "het rapport", dus wordt. Proef: "of het rapport klaar blijkt", met t. Zin 3 klopt: niemand verschuift.
De proef in drie stappen
Zoek eerst de stam: het hele werkwoord zonder -en, dus vind van vinden en word van worden. Kijk dan wie het onderwerp is. Bij ik schrijf je alleen de stam. Bij hij, zij, het, u en jij komt er een t achter. Taaladvies.net zegt het zo: de persoonsvorm van de tweede en de derde persoon enkelvoud wordt gevormd door de uitgang -t aan de stam toe te voegen (Taaladvies.net, hij beloofd of hij belooft). Twijfel je nog, vervang het werkwoord dan door lopen. Hij loopt, dus hij vindt. Ik loop, dus ik vind.
Je achter de persoonsvorm, en je als jouw
Staat jij of je achter de persoonsvorm, dan vervalt de t: vind jij, word je. Dat geldt alleen als je het onderwerp is. In “Morgen wordt je salaris gestort” betekent je jouw, en het onderwerp is je salaris. Daarom blijft de t staan. De proef met blijken helpt hier: blijkt je salaris, met een t. Onze Taal legt dit uit op de pagina word je of wordt je salaris gestort.
Verleden tijd en deelwoord
In de verleden tijd kies je tussen -de en -te. Eindigt de stam op een klank uit 't kofschip (t, k, f, s, ch of p), dan schrijf je -te, anders -de: hij werkte, hij belde. Een stam op d of t houdt die letter: wachtte, antwoordde. Het voltooid deelwoord volgt dezelfde keuze, met een t of een d aan het eind: gewerkt, gebeld, verhuisd.
Meer opgaven per onderdeel staan in de gratis test werkwoordspelling, en oefenen met hele berichten kan op werkwoordspelling oefenen. De uitleg over word en wordt staat uitgebreider in word je of wordt je.
Veelgestelde vragen
- Wanneer schrijf je dt?
- Als de stam op een d eindigt en er een t bij moet: hij vindt, het wordt, zij antwoordt. Je hoort één klank en je schrijft twee letters.
- Waarom is het "word je" zonder t?
- Staat je of jij achter de persoonsvorm, dan vervalt de t: word je, vind jij. Betekent je daar "jouw", dan is het geen onderwerp en blijft de t staan: wordt je loonstrook gestuurd.
- Is het hij verhuist of hij verhuisd?
- Allebei, op een andere plek. Hij verhuist morgen is de persoonsvorm. Hij is verhuisd is het voltooid deelwoord, en dat krijgt een d omdat de verleden tijd verhuisde is.