Naar de inhoud
skillido

Nederlandse spreekwoorden die bijna niemand goed afmaakt

Van spreekwoorden als het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen komt het tweede deel zelden mee. Van tien van die spreekwoorden staan hier het slot, de betekenis en de oudste vindplaats die wij konden terugvinden.

Door de redactie van Skillido. Bijgewerkt op .

Een spreekwoord bestaat vaak uit twee helften, en meestal doet er maar één mee. Iemand zegt hoge bomen en de rest van de tafel weet genoeg. Bij de tien hieronder werkt dat niet: het begin komt bekend voor, maar het slot hoor je zelden nog uitgesproken, en bij een paar is de gangbare invulling zelfs een ander spreekwoord geworden.

We hebben van elk het slot opgezocht, de betekenis erbij gezet en gekeken hoe ver het terug te volgen is. Dat laatste is bijna altijd verrassender dan de betekenis, want in veel gevallen gaat er een heel concreet voorwerp achter schuil: een tinnen kan, een stenen kruik, een paard in een stal waar de baas niet naar omkijkt.

Waarom zakt juist de tweede helft weg?

Het eerste deel van een spreekwoord doet het werk. Wie hoge bomen zegt, heeft zijn punt al gemaakt, en de rest is bevestiging. Taal knipt af wat niet nodig is, en dus slijt de staart eraf terwijl de kop in omloop blijft.

Daar komt bij dat het slot vaak het oudste deel is, met woorden die verder uit het Nederlands verdwenen zijn. Nering, aangezicht, ten hele gedwaald: dat zijn geen woorden en wendingen die je nog dagelijks gebruikt, en een zin die eindigt op een woord dat niemand meer zegt geef je nu eenmaal minder makkelijk door dan een zin die helemaal uit gewone taal bestaat. Het gevolg is dat mensen het slot invullen in plaats van het te citeren, en dan komt er iets uit dat logisch klinkt maar niet klopt.

Tien spreekwoorden waarvan het slot is weggezakt

Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen

Betekenis: voorspoed verdragen is moeilijker dan het lijkt, want wie het goed heeft gaat zich al snel te buiten. Het gaat dus niet over pech dragen, wat de meest gemaakte omkering is, maar juist over geluk dragen.

Stoett noteert het onder nummer 172 en geeft een zestiende-eeuwse vorm bij Campen: Het moeten stercke beenen syn, die guede daghe verdraegen connen. Daar staat dus goede dagen waar wij weelde zeggen, en dat is een stuk concreter. Stoett noemt verder zeventiende-eeuwse vindplaatsen bij Spieghel, Cats en De Brune, die het in zijn emblemenbundel opnam. Het is dus geen zeldzaam gezegde geweest maar een gemeenplaats van de Gouden Eeuw.

De kruik gaat zolang te water tot zij barst

Betekenis: wie het te vaak riskeert, gaat op een dag de mist in. Onze Taal legt het beeld uit: men haalde water uit de put met een stenen kruik, en vroeg of laat sloeg die hard tegen de gemetselde putrand.

Het is oud. In Reinaert II, de middeleeuwse bewerking van het Reynaertverhaal, staat het al in regel 4356: So langhe gaet te water die cruuc, dat si breect ende valt an sticken. Stoett behandelt het onder nummer 1290 en geeft naast barst ook de vorm breekt, die je in oudere teksten vaker tegenkomt.

Het oog van de meester maakt het paard vet

Betekenis: wie zelf toezicht houdt, ziet zijn zaken beter lopen. Het paard is hier niet de kern. De kern is de knecht die het voer achterhoudt zodra de baas een dag niet in de stal komt.

Stoett voert het onder nummer 1685 terug tot Xenophon, Oeconomicus XII, 20, en noemt de Latijnse vorm frons domini plus prodest quam occipitium, ruwweg: het voorhoofd van de heer helpt meer dan zijn achterhoofd. Hetzelfde beeld staat in het Frans als l'oeil du maître engraisse le cheval, in het Engels als the master's eye makes the horse fat en in het Duits als das Auge des Herrn macht das Vieh fett. Dit is dus geen Nederlandse vondst maar een doorgeefspreekwoord.

Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op de neus

Betekenis: wie te veel wil hebben, komt bedrogen uit. Het slot dat mensen erbij verzinnen gaat meestal over een lege kan, en dat is jammer, want dan verdwijnt precies het grapje dat erin zit.

Stoett geeft bij nummer 1067 de verklaring, die hij ontleent aan Tuinman: men dronk uit tinnen kannen met een deksel erop, en als je zo'n kan te hoog optilde om hem helemaal leeg te krijgen, viel dat lid de drinker op zijn neus. Hij verwijst naar regel 264 van de Klucht van Oene van Jan Vos uit 1642, waar de schout zegt: die et lest uit de kan wil hebben, zel et lidt gemienelijk op zen neus vallen. Het is dus geen beeldspraak maar een waarneming.

Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht

Betekenis: wie zijn eigen familie of groep zwartmaakt, treft zichzelf. Schenden betekent hier beschadigen, niet beledigen, en dat verschil maakt het spreekwoord meteen begrijpelijk.

Stoett behandelt het onder nummer 1631 en geeft bij Campen een zestiende-eeuwse vorm die letterlijker is: wie syn noese afsnijdet, die schendet syn aensicht. Daar wordt de neus dus nog afgesneden en niet beschadigd. In het Engels leeft die oudere, drastischer variant nog als don't cut your nose off to spite your face, en Stoett noemt daarnaast Hoogduitse, Oudfranse en Deense tegenhangers.

Ieder is een dief in zijn nering

Betekenis: iedereen zoekt binnen zijn eigen vak zijn voordeel. Nering is een woord dat uit het dagelijks Nederlands verdwenen is; het betekent ambacht, winkel of broodwinning. Zonder dat woord is het spreekwoord niet meer te reconstrueren, en dat verklaart waarom juist dit slot zo hard wegzakt.

Stoett noteert het bij nummer 418 en verwijst naar de Proverbia Communia, nummer 56, waar het staat als: Alle man es een dief van synre neeringhe. Die verzameling verscheen omstreeks 1480, naar de gangbare toeschrijving bij de Deventer drukker Richard Pafraet, en bevat 803 spreekwoorden in het Middelnederlands met een Latijnse vertaling ernaast, bedoeld voor leerlingen die Latijn moesten leren. Voor zover het om gedrukt werk gaat is het de oudste bekende spreekwoordenverzameling van West-Europa, en daarmee staat dit spreekwoord in de eerste Nederlandse lijst die er ooit van gemaakt is.

Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten

Betekenis: hoe je een ander inschat hangt vooral af van hoe je zelf in elkaar zit. Het wordt altijd negatief gebruikt: ben je zelf niet te vertrouwen, dan geloof je ook niet dat een ander dat wel is. De waard is de herbergier, de horecabaas van vroeger.

Onze Taal zet er iets bij wat je zelden in een spreekwoordenboek ziet, namelijk een eerlijke onbekende: waarom uitgerekend de herbergier en zijn gasten in dit spreekwoord terechtkwamen en niet bijvoorbeeld de kleermaker en zijn klanten of de veehandelaar en zijn kopers, is helaas niet duidelijk. Stoett behandelt het onder nummer 2505 en geeft een oudere vorm uit de Sneldichten van Constantijn Huygens waarin er nog een derde partij bij komt kijken: Soo de waerd is, soo verleent hem God sijn gasten.

Van dik hout zaagt men planken

Betekenis nu: er wordt stevig en zonder omhaal opgetreden, ook wel met de bijklank dat het grof gebeurt. De letterlijke kant is eenvoudig, want alleen uit dikke stammen zaag je forse planken, en bij dik hout hoef je minder precies te werken.

De aardigheid zit in de verschuiving. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal, dat Onze Taal hierbij aanhaalt, werd het aanvankelijk figuurlijk gezegd van rijke mensen die graag lieten merken dat ze rijk waren: daar gaat het van dik hout zaagt men planken betekende dat er kwistig geld werd uitgegeven, alsof het niets kostte. Als tweede betekenis geeft het WNT dat iemand een flink pak slaag krijgt. De betekenis die wij nu als de gewone beschouwen is jonger; Onze Taal wijst erop dat Van Dale hem pas vanaf de vierde druk uit 1898 vermeldt. Van geldsmijten naar grofheid is een flinke stap, en die is in stilte gezet. Stoett behandelt het onder nummer 973.

Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald

Betekenis: beter halverwege terugkeren dan doorgaan tot je helemaal verdwaald bent. Gedwaald staat hier voor verdwalen en niet voor een misstap, en gekeerd voor omkeren. Twee woorden die je nu anders gebruikt, in één regel.

Stoett noteert het bij nummer 778 en geeft als oudste spoor de Middelnederlandse dichter Willem van Hildegaersberch: Soe wye een vuylen pat gaet neder, ende keert hi dan ten halven weder. Daar staat het nog volledig letterlijk, over iemand die een vies pad inslaat en halverwege omdraait. Het abstracte gebruik dat wij kennen is er later overheen gegroeid.

Vertrouwen komt te voet en gaat te paard

Betekenis: vertrouwen opbouwen kost lange tijd en kwijtraken gaat in één keer. Dit is de enige van de tien die als omkering van een ander spreekwoord is ontstaan.

Het origineel is ziekte komt te paard en gaat te voet, in het Nederlands al in de zestiende eeuw in gebruik, met hetzelfde beeld in het Frans (les maladies viennent à cheval et s'en retournent à pied) en in het Engels (sickness comes on horseback but goes away on foot). Daar komt het snel en gaat het langzaam. In de vertrouwensvariant staan te voet en te paard omgedraaid, en dat verklaart waarom mensen die volgorde zo vaak door elkaar halen: allebei de versies bestaan, en ze zeggen het tegenovergestelde.

Wat valt op als je de tien naast elkaar legt?

De tabel hieronder is onze eigen samenvatting. In een spreekwoordenboek staat elk lemma op zichzelf, dus de vergelijking tussen het beeld en het oudste spoor moet je zelf maken. Bij zes van de tien hangt het beeld aan een voorwerp, een beroep of een gewoonte die je vandaag niet meer dagelijks tegenkomt: de stenen kruik aan de put, de tinnen kan met een lid, de knecht die het paard voert, de herbergier, de nering en de reiziger die te paard gaat. Dat is geen toeval. Zodra het voorwerp uit het dagelijks leven verdwijnt, verdwijnt het aanknopingspunt eronder mee.

Tien spreekwoorden, het beeld erachter en het oudste spoor dat wij konden terugvinden. Samengesteld door de redactie van Skillido.
SpreekwoordHet beeld erachterOudste spoor
Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragenEen man die een zwaar beladen last torstCampen, zestiende eeuw, met goede dagen in plaats van weelde
De kruik gaat zolang te water tot zij barstEen stenen kruik die tegen de rand van de put slaatReinaert II, regel 4356, middeleeuws
Het oog van de meester maakt het paard vetEen knecht die het voer achterhoudt zodra niemand kijktXenophon, Oeconomicus XII, 20
Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op de neusEen tinnen kan met een scharnierend dekselJan Vos, Klucht van Oene, zeventiende eeuw
Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezichtIemand die zijn eigen neus afsnijdtCampen, zestiende eeuw, toen nog met afsnijden
Ieder is een dief in zijn neringDe winkelier die zijn eigen vak naar zich toe rekentProverbia Communia 56, Deventer, omstreeks 1480
Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gastenDe herbergier die zijn klanten inschatStoett 2505, oudere vorm bij Huygens waarin God de gasten toewijst
Van dik hout zaagt men plankenEen dikke stam waaruit je grof kunt zagenWNT: eerst gezegd van mensen die kwistig geld uitgaven
Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaaldHalverwege een vuil pad terugkerenWillem van Hildegaersberch, Middelnederlands
Vertrouwen komt te voet en gaat te paardTe voet aankomen en in galop vertrekkenOmkering van ziekte komt te paard en gaat te voet, zestiende eeuw

Het tweede dat opvalt: vier van de tien zijn geen Nederlandse vondst. Het oog van de meester komt bij Xenophon vandaan, wie zijn neus schendt heeft volgens Stoett Engelse, Hoogduitse, Oudfranse en Deense tegenhangers, de kruik loopt in het Frans, Duits, Engels en Latijn precies zo, en vertrouwen komt te voet is een variatie op een spreekwoord dat in meerdere talen tegelijk opduikt. Wat wij als typisch Nederlands ervaren, is vaak alleen de Nederlandse verwoording ervan.

Hoe controleer je of een meerkeuzevraag over een spreekwoord eerlijk is?

Wij gebruiken deze spreekwoorden ook in een spel waarin je het slot uit vier opties kiest. Daarbij loop je meteen tegen een probleem aan dat elke quizmaker kent: een vraag kan weggeven wat hij zou moeten toetsen. Wie het spreekwoord niet kent, moet het juiste antwoord er niet op gevoel uit kunnen pikken.

We hebben daar een vaste toets voor, en die staat in onze eigen code beschreven. Elke set van vier opties gaat langs vier vragen:

  1. Lengte. Staat het juiste slot er als enige lang bij, dan is de lengte de tip. De vier opties moeten dicht bij elkaar liggen.
  2. Rijm. Rijmt alleen het juiste slot op het begin, dan hoef je het spreekwoord niet te kennen. Bij een rijmend spreekwoord moeten de foute sloten meerijmen, desnoods ten koste van hun betekenis.
  3. Grammatica. Als drie sloten niet lopen achter het begin, is de vierde gratis. Alle vier moeten grammaticaal kloppen.
  4. Inhoud. Foute sloten die evident onzin zijn tellen niet mee. Dan is het in de praktijk een keuze uit twee, en dat verandert de vraag zonder dat je het ziet.

Een voorbeeld met het spreekwoord over de kan. De vier opties zijn: krijgt het lid op de neus, houdt een lege kan over, breekt de kan op den duur, en krijgt de rekening gepresenteerd. Ze zijn ongeveer even lang, ze lopen alle vier achter het begin, geen enkele rijmt en alle vier passen ze bij het beeld van een kan. Wie het spreekwoord kent ziet het juiste slot meteen, en wie het niet kent kan er niet op taalgevoel omheen redeneren.

Bij een rijmend spreekwoord ziet dat er anders uit. Neem wat baten kaars en bril, waar het slot als de uil niet zien en wil op bril rijmt. Dan rijmen ook de foute sloten mee: als de leerling niet leren wil, als het oog niet kijken wil, als de lezer zwijgen wil. Zonder die ingreep zou het rijm het antwoord verklappen aan iedereen die het spreekwoord nog nooit gehoord heeft.

Wat betekent een score als er vier antwoorden zijn?

Vier opties betekent dat pure gok gemiddeld één op de vier goed oplevert. Dat is een vloer van 25 procent onder elke score, en die vloer heeft een gevolg dat je moet uitrekenen voordat je zo'n spel bouwt.

Onze set telt op dit moment 120 spreekwoorden: 40 makkelijke, 50 van gemiddelde moeilijkheid en 30 lastige, waaronder de tien uit dit artikel. Reken drie spelers door:

  • Wie alleen de 40 makkelijke kent en de rest gokt, komt uit op 40 plus een kwart van 80, dus 60 van de 120.
  • Wie de makkelijke en de gemiddelde kent en de lastige gokt, komt uit op 90 plus een kwart van 30, dus 97,5 van de 120.
  • Wie ze alle 120 kent, haalt 120.

Het interessante zit in het verschil tussen de tweede en de derde speler: 22,5 punt, ruim een zesde van de schaal. Zonder de dertig lastige spreekwoorden zou dat verschil precies nul zijn, want dan halen ze allebei 90 van de 90. Iemand die alleen de gangbare spreekwoorden kent en iemand die ze werkelijk allemaal kent, zouden dan dezelfde uitslag krijgen, en dan meet je niets meer.

Dat is de hele reden dat spreekwoorden als ieder is een dief in zijn nering in de set zitten. Ze zijn niet bedoeld om iemand te laten struikelen. Ze zijn er omdat de bovenkant van het veld anders tegen een plafond aan loopt.

Waar komen deze herkomsten vandaan?

De belangrijkste bron is F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden, verschenen in 1923 tot 1925 en integraal te lezen bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. De nummers die hierboven staan, zoals 172 en 1067, zijn de lemmanummers bij Stoett, zodat je elke herkomst zelf kunt nakijken. Hij doet iets wat de meeste online spreekwoordenlijsten niet doen: hij geeft per lemma de oudere vindplaatsen met bronvermelding erbij.

Daarnaast gebruiken we de uitdrukkingenrubriek van het Genootschap Onze Taal, die vaker dan Stoett aangeeft wanneer een herkomst onzeker is, en Ensie en woorden.org om de gangbare spelling en de gebruikelijke vorm te controleren. Bij verschillen tussen die bronnen kiezen we de vorm die in het hedendaags Nederlands het gewoonst is, ook als de oudere vorm mooier klinkt.

Wat we niet konden staven, hebben we weggelaten. Er stond eerder een spreekwoord in onze set over een varkentje dat de trog omstoot, en dat bleek in geen enkele bron in die vorm terug te vinden. Het is vervangen door de wel gestaafde variant: als het varken zat is, gooit het de bak om. Dat is geen detail, want een spelvraag over een spreekwoord dat niet bestaat is een vraag die niemand goed kan hebben.

Wat kun je hiermee?

De praktische opbrengst van zo'n lijstje is klein en dat geven we ruiterlijk toe. Je gaat niet vaker zeggen dat het sterke benen zijn die de weelde kunnen dragen. Wat wel gebeurt, is dat je het herkent als iemand anders het half zegt, en dat je bij een paar van deze uitdrukkingen ineens ziet waar het beeld vandaan komt.

Het aardigste voorbeeld daarvan blijft de tinnen kan met het deksel. Zo'n kan staat al eeuwen nergens meer op tafel, en toch zeggen we nog altijd dat iemand het lid op de neus krijgt, zonder dat er nog een lid of een kan in beeld is. Zulke zinnen blijven langer in omloop dan de dingen waar ze over gingen.

Deze tien zitten ook in de Spreekwoordenrace, het taalonderdeel van onze gratis test, waarin je 45 seconden lang spreekwoorden afmaakt uit vier opties.

Geschreven door de redactie van Skillido. Laatst bijgewerkt op . Vragen of een correctie op een herkomst gaan naar hallo@skillido.com.

Nederlandse spreekwoorden die niemand afmaakt | Skillido